Je kunt Prinsesje Sterremuur ook in het Sloveens volgen op: De site van zijn kleindochter
De goudmijn met Rotman-tekeningen van de site van zijn kleindochter is geweldig. Toen we deze tekeningen zagen dachten we direct aan Jean Dulieu. Die kon na de oorlog direct het stokje overnemen. We dachten ook, door de Lambiek site en een overzichtsartikel in Stripschrift nr 98 (1977), aan Johan Braakensiek, grootvader van Jan van Oort, oftwel Jean Dulieu. Rotman bezocht begin jaren 20 toen hij nog onderwijzer was aan een particuliere Kralingse school, dezelfde Johan Braakensiek, die toen beschouwd werd als een van de belangrijkste en bekendste tekenaars van het land. Deze raadde Rotman aan zich verder te bekwamen in het tekenvak waarna hij zijn belangrijkste stripverhalen begint te maken.
Deze tekeningen uit het archief van Rotman's kleindochter tonen dat beide kunstenaars (Rotman en Dulieu) zeer bedreven zijn in het tekenen van dieren.
![]() |
| G. Th Rotman: Vergadering in het bos 1922 (Bron) |
Gisteren natuurlijk even stilgestaan bij de veel te jong overleden G. Th Rotman, pionier van het Nederlandse beeldverhaal (1893-1944). Een belangrijke bron voor informatie is de site van zijn kleindochter Yvonne Thompson. Het is een ware goudmijn van tekeningen, schetsen, schilderijen, knipsels van en over Gerrit Rotman (kijk hier maar). Het is een prachtig inkijkje in zijn creatieve ontwikkeling. Alleen deze tekening al die hij in Vlaardingen waar hij opgroeide, maakte als 16 jarige. Tamelijk goed voor een 16 jarige. Een overduidelijk natuurtalent.
![]() | |
| Prachtige tekening uit 1909 toen Gerrit Rotman 16 jaar was en nog in Vlaardingen woonde | bron: |
Nu we het sprookje van Prinsesje Sterremuur verder kunnen volgen op de andere blog kunnen we ons even richten op de auteur. Terecht wijst Lambiek op Rotman als een van de voornaamste pioniers van het Nederlandse beeldverhaal, terwijl we altijd denken aan andere en latere auteurs zoals Marten Toonder en Hans G. Kresse. Maar ja Rotman overleed in 1944 een jaar nadat A.M. de Jong was vermoord (kijk maar hier). Daarmee was het vroege Nederlandse beeldverhaal twee belangrijke pioniers kwijt. Het is een bizarre parallel met de Nederlandse literatuur. De oorlog als cesuur. Deze verloor de grote auteurs Menno ter Braak, E. Du Perron en Hendrik Marsman aan het begin van de oorlog, allen op eigen wijze (toeval?). Het liet een vacuüm achter dat Blaman, Van het Reve en Hermans tijdens en direct na de oorlog opvulden. Bulletje en Boonestaak waren natuurlijk lang voor de oorlog al gestopt met hun avonturen en we weten niet of De Jong en Van Raemdonk ooit nog een strip zouden gaan maken, maar ja toen kwam "Silbertanne". Een socialist was vermoord. Ook Gerrit Rotman was politiek bewust (kijk maar naar Jantje Welgemoed) en raakte tijdens de bezetting in een diepe depressie waarbij hij de lust om te tekenen geheel verloor (Lambiek). Een bezoek van de Kultuurkamer om te gaan tekenen voor het Duitse ideaal, maakte het alleen maar erger (informatie van zijn kleindochter Yvonne). Tijdens de hongerwinter werden zijn kinderen gedwongen werk van hem te verkopen. Hij overleed slechts 51 jaar oud aan een hersenbloeding op 23 oktober in Den Haag waar hij sinds 1933 woonde en les gaf aan de MULO. Het Nederlandse beeldverhaal had een belangrijke pionier verloren.

Zelfportret G. Th Rotman 1940 (bron: https://www.flickr.com/photos/yvonnert/32457042344/in/album-72157624551730115/
Voor de jonge lezertjes en de komende 60 (ofzo) dagen een mooi sprookje van de onvolprezen Gerrit Theodoor Rotman.
Na jaren onderhandelen en flink sparen hebben we een icoon van het Neerlandse Platinatijdperk bemachtigd. Het laatste plaatje, nr 828 dat op 17 november in 1937 in het Vrije Volk (en Voorwaarts) verscheen en het einde inluidde van het Bulletje en Boonestaak-tijdperk dat sinds 1922 de arbeiderskindertjes bezig had gehouden, inclusief het zoontje van Drees Sr. De schrijver en tekenaar maken een sierlijke gepaste buiging voor hun lezers met de hoop dat ze zich niet al te veel verveeld hadden. Wij buigen terug en danken beide auteurs voor zo'n icoon van een stripverhaal. Velen zijn ze vergeten, maar wij houden het lange termijn geheugen in stand! Weg met Kuifje, weg met Suske en Wiske. Leve Bulletje en Boonestaak!
Wij houden van speurwerk, zeker in tijden van oorlog. Zo kunnen we ons verliezen in onbelangrijke details. Het duurde al een tijdje voordat we ontdekten dat er tussen de kleine gebonden boekjes met hardcover van onze vriendjes Bulletje en Boonestaak zo nu en dan een deeltje opdook dat niet in de reeks thuis hoorde, maar eigenlijk een bundeling betrof van twee deeltjes. Toen kwam er zo maar zo'n gebundeld dubbeldeeltje op ons pad, maar deze bleek afwijkend vanwege de opdruk N.V. De Arbeiderspers op de omslag, terwijl alle deeltjes /plaatjes op het internet toch duidelijk de opdruk N.V. De Ontwikkeling op de omslag hadden. Zoals men ook al gedaan had bij de eerste serie, de wereldreis van Bulletje en Boonestaak, waarbij men de oblongformaat deeltjes zelf kon laten bundelen en daarvoor de bruine kartonnen omslag kon aanschaffen, zo maakte men blijkbaar bij De Ontwikkeling, dat later de Arbeiderspers werd zelf bundeltjes voor de vier deeltjes Op het onbewoonde eiland. Doordat deze deeltjes ook niet allemaal even dik zijn is de bundeling van het boekje "De onderwerping van den menscheneter" en "De vertellingen van den menscheneter", samen gebundeld als "De geschiedenis van Bulletje en Boonestaak op het onbewoonde eiland, deel I", dikker dan de bundeling van "Hoe Bulletje en Boonestaak de bewoonde wereld terug vonden" en "Alle raadselen opgelost", gebundeld als "De geschiedenis van Bulletje en Boonestaak op het onbewoonde eiland, deel II". De Arbeiderspers werd in 1929 opgericht, tot die tijd werden de boekjes uitgegeven onder de naam N.V. De Ontwikkeling. De afzonderlijke boekjes die in de gebundelde deeltjes kwamen stammen uit 1926 en 1927. Dus die lagen nog in grote stapels op de planken bij de uitgever wachten op een bundeling. Blijkbaar waren de omslagen van deze bundels (met N.V. De Ontwikkeling) op een gegeven moment op en heeft men nieuwe laten drukken met de nieuwe naam, dus daterend na 1929 (met opdruk De Arbeiderspers).
Dat dit door ons ontdekt moest worden komt doordat we ons niet grondig genoeg in de literatuur verdiept hadden. Onze illustere voorgangers Jan Kooijman en Hans Stoovelaar hadden dit allang allemaal in de smiezen.
Het deeltje met opdruk De Arbeiderspers heeft ook een oude naamsvermelding met jaartal 1930, dus het klopt als een bus. De "van mama: in kleurpotlood geschreven hebben we hier ook maar even toegevoegd van pure ontroering.
Zo tussen neus en lippen door, af en toe, vanwege de goede oude tijd nog een stripboek kopend, stuitten we op Robbedoes, en dan wel de Robbedoes van Emile Bravo. Een behoorlijk lang verhaal. En dat bleek alleen nog maar deel 1. Een Robbedoes oorlogsverhaal met precies de juiste spanning en precies de juiste stijl. Eigenlijk ongelooflijk knap. Toen kwam deel 2. Net zo goed en net zo spannend. Een stripboek om als kleine jongen achter te verdwijnen. En onlangs deel 3, nog dikker en nog beter. Robbedoes is zoals Robbedoes geweest zou kunnen zijn, Kwabbernoot als smaakmaker, maar nu 10x zoveel uitgediept als ooit tevoren. Het wemelt ook van de andere boeiende karakters waaronder vrouwen, een soort van Ijzerlijmen, maar dan beter. En we dachten allemaal: jeetje zo'n verhaal tegen de grimmige achtergrond van een oorlog. En nu is dit ineens een actueel verhaal geworden. Wat doen mensen die zo onder druk staan? Geen idee hoe we zelf zouden handelen.
Terug naar naar het stripboek. Zelden eigenlijk zoiets goeds in handen gehad. We zouden bijna zeggen Bravo!
Beschouw dit maar als een leestip voor bange dagen.